De man die kon zweven


Toen vader Waterman besloot om met zijn gezin
onder te duiken was David acht jaar, zijn zusje twee jaar ouder. David’s vader had een sigarenwinkel. Net voordat hij die had moeten sluiten was hij zo slim geweest om een gedeelte van de winkelvoorraad mee naar huis te nemen. Zo kon hij zijn vaste klanten nog een tijdje bedienen. Later zou blijken dat tabak nu eens wel gezond was. In ieder geval voor de familie Waterman, het redde hun leven. Het gezin vond onderdak bij een trouwe klant en bleef daar de hele oorlog. Een moedige onderduikfamilie, een verhaal apart, een wonder. Maar dan, alle overlevers hebben zo’n verhaal. Het is zo vaak verteld, wie wil het nog horen? Dit verhaal heeft niets met de oorlog te maken, het gaat over David.


Zoals alle kinderen in de onderduik was verveling David’s grootste probleem. Te veel mensen in een te klein huis, honger, verschillende karakters, doodsbange ouders, beducht voor elk gerucht. Maar toch, David had geluk. Zijn onderduik-oom was een niet onverdienstelijk amateur-goochelaar die op bruiloften en partijen wat bijverdiende. Om het kind bezig te houden deelde hij zijn trucs met David die net zo lang oefende tot hij het metier tot in de perfectie beheerste. Spullen om nieuwe trucs te bedenken waren er niet. Wel lucifersdoosjes. David oefenden en oefende. Op een dag konden die doosjes zweven. Na de doosjes, kwamen hoedjes, flesjes en nog veel meer en ja soms zweefde David zelf.


Het gezin overleefde de oorlog en betrok een woning in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Lang bleef David niet meer thuis. De jaren opsluiting hadden hem rusteloos gemaakt. School boeide niet meer, hij wilde de wereld in. Het Nederland van de vijftiger jaren was benauwd en armoedig. Maar in de hoofdstad was er een groep jonge kunstenaars die de benepenheid doorbrak. Het was de generatie van Lucebert, Karel Appel en Simon Vinkenoog. David zocht aansluiting bij deze ietwat elitaire groep die niet goed wist wat men had aan deze stille Joodse jongen.  Maar ze accepteerden hem graag, snel werd hij een van hen. De zestiger jaren braken aan, vijftien jaar na de bezetting was het tijd voor een andere vrijheid. In 1960 vond een aantal kunstenaars een vooruitstrevende uitgever die wel iets zag in het jongerenblad Taboe Het werd een sensatie, de eerste glossy ooit, gedrukt op voor die tijd ongewoon mooi papier.  Niet alleen het uiterlijk was nog nooit gezien, ook de inhoud was ongekend. Daar werd geschreven over seks en de voordelen van ongetrouwd samenwonen!  Maar het belangrijkst waren de prachtige foto’s van later beroemd geworden fotografen  zoals Johan van der Keuken en Ed van der Elsken.


In datzelfde jaar slaagde David erin om van zijn hobby zijn beroep te maken en verdiende een karige boterham in kleine theaters. Hij jongleerde, goochelde, en sloot de voorstelling altijd af als een dansende Charlie Chaplin. Maar de mensen onthielden vooral dat voor deze kleine man de zwaartekracht niet leek te bestaan. Toen Ed van der Elsken hem vroeg om te poseren voor de omslag van de Taboe deed David dat maar al te graag. Tenslotte is publiciteit alles voor een beginnende variétéartiest.  Zo verscheen David op de beroemd geworden omslag van het eerste nummer van Taboe.  Het was het begin van David’s sprankelende carrière. Hij veranderde zijn naam in Dave Parker. ‘Ook een vulpen,’ grapte hij, doelend op zijn eigen naam die in die dagen een degelijk Hollands vulpenmerk was. Hij trok de aandacht van een artiestenbemiddelaar die hem een contract bezorgde in de beroemdste nachtclub ter wereld, de Parijse Crazy Horse Saloon. De club werd zijn huis, niemand heeft daar langer gewerkt dan Dave Parker. Ruim tien jaar vertoonde hij zijn kunsten hoewel hij natuurlijk best wist dat de mensen allereerst kwamen voor de vermaarde Blue Bell Girls. Tussen de schitterende danseressen vond David zijn Jamaicaanse vrouw. Zij was – en is vandaag nog - een schoonheid. Na de Parijse periode lag de wereld aan David’s voeten. In alle Europese hoofdsteden was hij kind aan huis, maanden stond hij in Las Vegas, hij verzorgde gastoptredens in Hollywood en verscheen regelmatig op de Amerikaanse TV. Zijn vrouw en inmiddels geboren dochter reisden overal met hem mee. Een kleine familie van variété-nomaden die intens genoten van het aanzien dat het succes met zich meebracht.


Toen David zestig jaar werd kon hij zich veroorloven om te stoppen met zijn werk. Van het reizen en trekken en het eindeloze leven uit een koffer had hij meer dan genoeg. Bovendien waren de tijden veranderd, veel vraag naar variététheater was er niet meer. Beter ophouden dan weg te kwijnen in tweederangs theatertjes of oubollige nachtclubs. Het gezin keerde terug naar David’s geboortestad en kwam boven ons wonen.  Ik denk dat hij zijn werk erg miste.  De ooit zo gevierde artiest werd op slag een kleine stille man. ‘Opvallend onopvallend,’ zo typeerden we hem als we hem door de straat zagen lopen in zijn oude regenjas, een beetje gebogen, onveranderlijk met een plastic boodschappentas in zijn hand. Ik herinner me een interview in het Parool door zijn vriend Igor Cornellissen. ‘Als je niet opvalt kan je niks overkomen,’ was de kop. Het tekende mijn buurman ten voeten uit.


David en ik deelde het trappenhuis, meer niet. Integendeel, we lagen elkaar niet zo. In de eerste jaren dat hij boven ons woonde hadden we soms ruzie. Kleine ruzie, over dingen die nauwelijks de moeite waard waren om ruzie over te maken. Soms gaat dat zo tussen buren die een trappenhuis delen. Later verbeterde de verhouding ietwat en groetten we elkaar maar een hartelijke relatie werd het niet. In al die vijftien jaar ben ik twee keer bij hem binnen geweest om over een lekkage te praten. Soms klopte hij bij ons op de deur om iets te regelen. Verder dan mijn werkkamer kwam hij nooit, een kopje koffie werd beleefd afgeslagen. Zelfde achtergrond, zelfde generatie maar David noemde mij meneer Fransman en ik hem meneer Waterman.


Davids dochter ging met 18 jaar het huis uit, kort daarna verliet ook zijn vrouw de woning. Hij moet vreselijk eenzaam zijn geweest maar met ons sprak hij daar niet over. Met niemand waarschijnlijk, bij mijn weten kreeg hij nooit bezoek. Wel ging hij veel uit, er was altijd wel een circus in de buurt. Of ver weg, dat maakte niets uit. Circus en variététheater bleven zijn passie, daar reisde hij half Europa voor door. In december 2008, net voor de kerstdagen, hadden we een zeldzaam gesprekje. Ik vroeg hem of hij met de kerstdagen iets bijzonders ging doen. Zijn gezicht straalde. ‘Ik heb een druk programma,’ zei hij, ik heb kaartjes voor maar liefst veertien verschillende circusvoorstellingen, verspreid over het hele land. Oudejaarsavond zou hij in Brussel vieren. ‘Bij dat circus zijn nog veel mensen waarmee ik heb gewerkt,’ glunderde hij bij het vooruitzicht. ‘Uiteindelijk is het misschien toch geen onaardige man,’ dacht ik en nam me voor hem toch eens over te halen om samen eens iets te gaan drinken.


Het kwam er niet van. In alle veertien theaters bleef zijn stoel leeg. David overleed op 24 december. Uiteraard ging ik naar de crematie. Soms is het leven eigenaardig. Wanneer je buurman allesbehalve je vriend is ga je niet naar zijn bruiloft maar wel naar zijn crematie. ‘David was zo eenzaam, er zouden wel niet veel mensen zijn,’ dacht ik. Ik had het mis. In de aula van de Oosterbegraafplaats waren alleen nog staanplaatsen. Onder de aanwezigen waren oud- collega’s, schrijvers, schilders en zelfs twee oud-ministers. Er werd mooi gesproken door oudere kleinkunstenaars die vertelden dat ze in David’s Parijse jaren zijn beste vrienden waren geweest. De ene anekdotes was nog geestiger dan de andere. Tegelijkertijd werd op een groot scherm een slideshow van zijn successen vertoond. Dia’s van Dave Parker in Las Vegas met Sammy Davis Jr, met Nelson Mandela in Johannesburg, met Barbra Streisand in Londen. Ik realiseerde me dat een wereldster boven mij gewoond had. Hoe is het mogelijk dat deze gevierde man zich van iedereen vervreemde en zo geïsoleerd wilde leven? Ik bedacht dat David’s zelfgekozen isolement iets met de oorlogsjaren te maken moest hebben. Toen hij zich terugtrok koos hij er vooral voor om maar niet op te vallen. Zijn eigen woorden: ‘je wist maar nooit, hem konden ze niets maken.’