Dankbaar


Een leukere tijdsbesteding dan een stukje fietsen door de binnenstad van Amsterdam. Ik houd van de stad waar altijd iets valt te beleven.  Het liefst fiets ik van Oud Zuid, de buurt waar ik woon, door het Vondelpark de stad in. Maar soms wissel ik af en ga via de Wibautstraat en de Weesperstraat. Ongetwijfeld de lelijkste straten van Amsterdam met hun troosteloze 50er-jaren Stalin architectuur. Maar ondanks  die lelijkheid kom ik daar graag want de route leidt rechtstreeks naar mijn favoriete museum. Dat is het Joods Historisch uiteraard, wat dacht u. 


In de Weesperstraat staat het monstrueuze monument van Joodse Dankbaarheid.  Ik fiets er altijd snel voorbij want ik erger me aan de snorkende tekst: Aan de beschermers van de Nederlandse joden in de bezettingsjaren. Berustend in Gods wil. Vereend in uw afweer. Beschermd door uw liefde. Gesterkt door uw weerstand. Rouwend met u.


De tekst, nee, eigenlijk dat hele pompeuze monument irriteert me mateloos. Hoezo berustend? Hoezo beschermd? Hoezo vereend? Hoezo gesterkt? Ik weet dat het beeld van de beeldhouwer Johan Wertheim, in 1950 geplaatst is.  Precies in de tijd dat het naoorlogse antisemitisme alweer welig tierde.  Ik geloof (maar zeker ben ik daarvan niet) dat er op 4 mei niet eens herdacht wordt bij het grijze onding.  Wie heeft dat monument betaald? Wie wilde dat het er kwam? Wie bedacht die onwerkelijke tekst? Natuurlijk is het simpele feit dat ik dit schrijven kan en u als abonnee van dit blad dit leest, reden tot dankbaarheid aan onze moedige beschermers. Maar er waren er zo weinig. Beschermd? Ja, wij wel,   honderdvierduizend anderen niet. Gesterkt? Om de donder niet. Berustend? Misschien, wat moesten we anders. Om er, namens ons, Gods wil er bij te halen, is naar mijn smaak een gotspe.


Hoe lelijk ook, het monument intrigeert me toch. Ik google wat op het internet maar ik vind weinig.  Alleen een journaalfragment dat “De hoogtepunten van 1950” heet. Kennelijk werd de onthulling als een hoogtepunt van dat jaar gezien. Het filmpje duurt ongeveer een minuut. De mooie stem van Philip Bloemendaal vertelt wie er sprak bij de onthulling en dat het evenement werd opgeluisterd door de aanwezigheid van burgemeester ‘d-Ailly. We zien een aantal stemmig geklede mensen in optocht in de Weesperstraat. Dan mag het zoontje van beeldhouwer J.G. Wertheim een doek van het monstrum aftrekken. Bloemendaal zegt in zijn herkenbare stijl dat “nog overgebleven Joden hun dankbaarheid middels dit monument tonen aan hen aan wie zij hun behoud te danken hebben.” Even later komt er een onvermijdelijke man met een baard in beeld. ‘Zo zie een Jood er uit!’ schijnt het filmjournaal te willen zeggen. In mijn beleving zijn het treurige beelden van treurig dociele mensen.


Op het internet vind ik verder alleen een artikel uit de Volkskrant van 1995. In een boekbespreking worden het monument en het alweer hevig opkomende antisemitisme in die jaren, terloops aangehaald. Mij staat vaag bij dat het monument pas na flinke druk van de Nederlandse overheid op Joodse bestuurders is ontstaan en dat de financiering zou zijn onttrokken aan de eerste Duitse herstelbetalingen. Het kan haast niet anders dan dat daarover indertijd een stevige rel moet zijn ontstaan. Zou er in de archieven nog iets over te vinden zijn? Ik besluit om in de bibliotheek van het JHM wat wijzer te worden. Ik vraag de aardige bibliothecaresse naar de ontstaansgeschiedenis van het monument dat hemelsbreed 300 meter van haar werkplek staat. Ze doet haar best. maar meer dan een krantenpagina uit de NRC vind ze niet voor me. De pagina is gedateerd op 23 februari 1950, de dag van de onthulling.  ‘Zij waren één met ons’, luidt de kop. Dat zijn woorden uit de toespraak waarin ene dr. De Hartogh het monument namens “allen van ons, ook de kleinsten en de armsten” aan de stad aanbood. De burgemeester aanvaardde het in dank en zei dat er toch ‘ruimte moest zijn voor enige schaamte omdat niet allen aan het verzet hadden deelgenomen’ ‘Open deur,’ denk ik ruim zestig jaar later en krijg alsnog de pest in.


Ik fiets dezelfde route naar huis, weer door die lelijke Weesperstraat.  Nu stap ik even af bij het monument. Ineens herinner ik me mijn aangetrouwde oom Jopie en tante Sientje, de twee lieve mensen die er precies tegenover een comestibleswinkeltje dreven. Of ze officieel koosjere waar verkochten weet ik niet. Het moet haast wel want de winkel was op zaterdag gesloten en op Zondag geopend en daarvoor kreeg je in de vijftiger jaren maar heel moeilijk een vergunning. Ze verkochten in de piepkleine ruimte alles wat eetbaar was. Links brood en gebak en veel soorten onverpakte snoep, rechts haring, zuurwaren, worst en weet ik veel. Het kinderloze echtpaar woonde boven de winkel in een poppenhuiswoninkje. Af en toe ging ik met de tram naar hen toe. Hoe druk ze het ook hadden in hun winkel, ik was altijd welkom. Sientje en Jopie waren voor de oorlog getrouwd maar hadden geen kinderen. Het waren hele vrolijke mensen. Misschien alleen maar voor de buitenwereld, realiseer ik me nu. Over de oorlogsjaren spraken ze nooit, zeker niet met mij, een tienjarig kind. In de winkel was tante Sientje streng voor me. Als ik het waagde om een zuurtje uit de pot te nemen kreeg ik een tik op mijn vingers. ‘Wie in mijn winkel iets pakt moet betalen,’ zei ze stellig. Maar boven maakte ze het meer dan goed en overstelpte met eten. ‘Stukje kaas? Zure bom? Harinkje dan? Wil je er nog een? Hier, eet een taartje! Nee? Neem dan een stukje chocola!’ Overvol maar gelukkig ging ik huiswaarts.  In 1963 moest de straat modern worden en werden Jopie en Sientje weggesaneerd. Ik hoop dat ze van de gemeente veel geld voor hun winkeltje hebben gekregen. Zoals dat nu eenmaal gaat had ik toen nauwelijks nog contact met ze. Slechts heel af en toe bezocht ik ze wel eens in een mooie benedenwoning aan de Nassaukade..


Ik kijk nog eens naar het grijze monument met die huichelachtige teksten onder de reliëfbeelden. En ik hoop van harte, nee, ik weet zeker, dat Sientje en Jopie er niet aan mee hebben betaald.  Ze hadden in 1950 warempel wel iets anders aan hun hoofd.